Geschiedenis:
ooggetuigenverslagen

Maak de Tweede Wereldoorlog invoelbaar met ooggetuigenverslagen. Waar leer je meer van: een objectief verhaal, of een herinnering van iemand die erbij is geweest? Is één van die twee meer ‘waar’ dan de ander?

Leerdoelen:

  • Kritisch nadenken over ‘objectiviteit’ en ‘subjectiviteit’ en kunnen verwoorden op welke manier beiden de (vertelling van een) geschiedenis kunnen beïnvloeden;
  • Het verdiepen van de kennis over diverse personen en groepen in en na de Tweede Wereldoorlog;
  • Zich kunnen verplaatsen in het perspectief van de personages uit de teksten (standplaatsgebondenheid).

In deze les worden de leerlingen/studenten uitgedaagd om na te denken over subjectiviteit versus objectiviteit. De les begint met een activerende stelling. Vervolgens wordt een eerste onderzoek gedaan naar het thema van de les. Daarna lezen de leerlingen/studenten in duo’s vier à vijf verhalen uit Atelier van Herinnering, die aansluiten op dit thema. Hierop volgt een groepsgesprek, waarin de leerlingen/studenten benoemen wat zij nu over deze geschiedenis te weten zijn gekomen. Aan het eind van de les komen we terug op de stelling van het begin.

Van tevoren

Bepaal met welke verhalen uit Atelier van Herinnering je wil werken. Je kunt verhalen selecteren op basis van locatie (bijvoorbeeld Vlissingen, Berlijn of Indonesië), of op basis van thema (bijvoorbeeld Verzet, Identiteit of Bevrijdingskinderen).

Stel een selectie van vier of vijf verhalen samen en zorg voor voldoende afdrukken voor de hele klas. De leerlingen/studenten zullen in duo’s met de geselecteerde teksten aan de slag gaan.

Zorg ook voor voldoende groene en rode kaartjes voor alle leerlingen/studenten – deze worden gebruikt in de startervaring ‘stelling nemen’.

Startervaring: stelling nemen

Ontvang de leerlingen/studenten voor het lokaal en leg ze de volgende stelling voor:

‘Geschiedenis moet gaan over feiten, niet over herinneringen.’

Wie het hiermee eens is krijgt een groen kaartje. Wie het hiermee oneens is krijgt een rood kaartje. Vanaf dit moment zijn er twee mogelijkheden:

  1. Zijn de groene en rode kaartjes (ongeveer) gelijk verdeeld? Laat de leerlingen/studenten dan duo’s vormen en kort met elkaar in debat gaan over de stelling.
    De rest van de les werken de leerlingen/studenten in deze duo’s samen.
  1. Zijn er veel meer leerlingen/studenten die een groen (of rood) kaartje hebben? Laat de leerlingen/studenten dan plaatsnemen en vraag van beide groepen één leerling/student naar voren. Hij of zij mag beargumenteren waarom de stelling (on)waar is. Als er daarna leerlingen/studenten willen ruilen (hun mening willen herzien), mogen zij hun kaartje komen omwisselen.
    De rest van de les werken de leerlingen/studenten samen met de klasgenoot waar ze naast zijn komen te zitten.

Voor beide scenario’s geldt: laat de leerlingen/studenten hun kaartjes bewaren en noteer op het bord hoeveel groene en rode kaartjes (dus voors en tegens) er bij aanvang van de les zijn.

Opdracht 1: thema verkennen

Vertel de groep vanuit welk thema (of vanuit welke locatie) er vandaag gewerkt zal worden en inventariseer wat de leerlingen/studenten hier al over weten. Laat een leerling/student meeschrijven op het bord. Nadat op deze manier de voorkennis geïnventariseerd is, mogen de leerlingen/studenten in hun duo extra informatie opzoeken. Ze kunnen gebruik maken van hun geschiedenisboeken of internet. Bespreek vervolgens klassikaal wat er gevonden is en noteer ook dit op het bord. Is er veel informatie bijgekomen?

TIP: Het ene thema linkt vrij direct aan de Tweede Wereldoorlog (zoals Onderduiken); het andere thema is wat breder (zoals Uitsluiting (racisme en discriminatie)). Beide typen thema’s kunnen gebruikt worden. Licht in beide gevallen toe dat we ons richten op de periode van de Tweede Wereldoorlog, zodat de leerlingen/studenten dat kader meenemen in hun onderzoek.

Opdracht 2: verhalen lezen

Leg uit: vandaag werken we met verhalen uit Atelier van Herinnering. Bijna al deze verhalen zijn gebaseerd op ooggetuigenverslagen; ze werden geschreven naar aanleiding van gesprekken tussen jongeren en mensen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt.

Geef elk duo de selectie verhalen. Help de leerlingen/studenten op weg door te vertellen dat het theaterteksten zijn. De tekst is dus verdeeld over verschillende personages en schuingedrukt zijn de oorspronkelijke regieaanwijzingen te lezen. Laat de leerlingen/studenten onderstrepen of markeren wat ze belangrijk of opvallend vinden. Ze kunnen ook een woordspin maken.

Opdracht 3: groepsgesprek

De verwerking heeft de vorm van een groepsgesprek. Bespreek wat de duo’s te weten zijn gekomen vanuit de verhalen en hoe deze informatie zich verhoudt tot de eerder gevonden informatie. Doe dit aan de hand van (bijvoorbeeld) de volgende vragen:

  • Wat weet je nu over deze geschiedenis?
  • Herkende je informatie die al op het bord stond terug in de scènes?
  • Maakt een ooggetuigenverslag (wat de verhalen eigenlijk zijn) de geschiedenis meer of minder betrouwbaar?
  • Bestaat geschiedenis uit feiten of uit herinneringen? Vullen beide elkaar aan, of staan ze haaks op elkaar?
  • Kun je objectief naar een gebeurtenis kijken?

Nagesprek

Kom na het gesprek terug op de stelling van het begin:

‘Geschiedenis moet gaan over feiten, niet over herinneringen.’

Laat de leerlingen/studenten nog eens hun gekleurde kaartje van het begin omhoog houden en inventariseer wie er van gedachten is veranderd. Waarom wel of niet? Wissel indien nodig kaartjes om en noteer tot slot de ‘eindstand’ op het bord. Bespreek met de groep of er uit deze getallen iets op te maken is – en zo ja, wat dan.

Vraag de leerlingen/studenten wat het lezen van ooggetuigenverslagen doet met geschiedenis. Hebben de verhalen van vandaag je op een andere manier over de Tweede Wereldoorlog laten nadenken? Waarom wel of niet?

En hoe zou het zijn als er bij de geschiedenisles nooit uit een boek werd gewerkt, maar er altijd ooggetuigen langs zouden komen om hun verhaal te vertellen? Dit is natuurlijk grotendeels onmogelijk – simpelweg omdat veel geschiedenis te lang geleden is – maar probeer de leerlingen/studenten mee te nemen in dit gedachte-experiment. Wat zou er anders zijn in hun kennis over de geschiedenis als de lessen op deze manier gegeven zouden worden?

Afsluiting

Rond de les af door elke leerling/student één woord te laten noemen dat hij of zij meeneemt uit de les. Dat kan een woord uit één van de gevoerde gesprekken zijn, een woord dat in je hoofd is blijven zitten, of een woord dat een gevoel uitdrukt.